Terug naar Kennisbank

Kampeerweekend plantenwerkgroep (5-8 juni 2026)

Het kampeerweekend van de plantenwerkgroep vond dit jaar plaats in de Belgische gemeente Viroinval, genoemd naar de vallei van het riviertje de Viroin. Het is één van de botanisch belangrijkste gebieden van België. Het riviertje stroomt hier door een gebied met dikke kalkafzettingen uit het Devoon. De door erosie afgeronde kalkheuvels, die ‘Tiennes’ worden genoemd, vertonen karstverschijnselen zoals grotten en dolines, zinkgaten die zijn ontstaan na het oplossen van kalksteen door het van nature licht zure regenwater. IJzerhoudende mineralen blijven vaak achter en geven een rode kleur. Op de hellingen heerst een warmer microklimaat. Ze zijn begroeid met droge graslanden en op andere plaatsen bos. Dit is natuurlijk bepaald door menselijk gebruik, begrazing en ontginning.

Onze camping in Olloy-sur-Viroin ligt in het bos op een heuvel ten zuiden van de Viroin. Het is er heel stil deze dagen. Tijdens ons verblijf is het grotendeels droog, maar wel vaak bewolkt en overdag niet heel warm, 18-20 graden. Na het opzetten van de tenten maken we een rondwandeling door het beboste gebied rond de camping. Langs het bospad staan leuke soorten als boskortsteel en kamgras, en ook wilde marjolein en kleine pimpernel. Ook staat er opvallend veel van de zeldzame fijne ooievaarsbek met fijn ingesneden, in omtrek vijfhoekige blaadjes. Er kruipen veel boskrekels rond.
Op een kennelijk enkele jaren geleden opengekapt veld is het veel bloemrijker met slangenkruid, glad walstro en kale jonker. Er zijn ondiepe stroompjes, waarin een aantal bijzonder zeggen groeien: bleke, geelgroene en dwergzegge. In de grazige bermen langs het pad omlaag de vallei in bloeit veel rapunzelklokje, beemdkroon en cipreswolfsmelk. In de stenen keermuren groeit tripmadam, steenbreekvaren en muurhavikskruid. Na het eten in Olloy, waarbij vooral de zalm geliefd is, werd de LED-emmer opgezet, maar er komen slechts een paar nachtvlinders op af. Misschien omdat er meerdere rosse vleermuizen laag rondvliegen?

De volgende dag nemen we eerst een kijkje bij de Viroin, waarin de vlottende waterranonkel zich in lange slierten aan de stenen klampt, terwijl het zijn witte bloempjes drooghoudt boven het stromende water. De waterspreeuw laat zich jammer genoeg niet zien, maar wel de grote gele kwikstaart. We rijden naar Nismes, waar we de Tienne Breumont beklimmen. In een rotsige doline groeien witte engbloem, wimperparelgras en veel steenbreekvarens. Er vliegen ook dambordjes en we zien de rotsvlinder. Bovenop de afgeronde heuvel ligt een fors kalkgrasland, waar we meteen hommelorchissen volop in bloei zien staan. Deze lijken inderdaad op de bijenorchis, maar dragen een andere tekening op de lip. Struinend over de heuvel zien we nog de bergnachtorchis, poppenorchis, grote muggenorchis en bokkenorchis. Er groeit opvallend veel echte gamander, ook met zijn parasiet de gamanderbremraap, een plant zonder bladgroen die je het makkelijkst herkent aan de plant waar hij pal naast staat. We vinden veel typische kalksoorten als geel zonneroosje, grote tijm, paardenhoefklaver, bloedooievaarsbek, pijlbrem, kleine steentijm, kogelbloem en kalkwalstro. Goed zoeken levert nog trosgamander, sikkelgoudscherm, een vliegenorchis en een groene nachtorchis op. Er vliegen veel tweekleurige hooibeestjes en koevinkjes.
We steken het dal over naar de Montagne-aux-Buis (‘Buxusberg’), een met beuken, esdoorns en linden beboste kalkheuvel, waar inderdaad opvallend veel buxus (palmboompje) groeit. Deze hebben duidelijk moeite om voldoende licht te krijgen onder de hoge bomen. Verder veel amandelwolfsmelk en varens. Bovenop de berg doen enkele opengekapte stukken wat heideachtig aan met ook gewone vleugeltjesbloem en geel walstro, maar er staan ook enkele bijzondere soorten als betonie en liggende ereprijs.
We bereiken zo het hoogtepunt van de dag, de Roche à Lomme. Op de grazige helling opnieuw veel echte gamander en aarddistels met daarbovenuit melige toortsen. Op de rotsige top staan we aan de rand van een steile rotshelling en hebben we een prachtig uitzicht over het dal. Hier vinden we ook enkele bijzondere planten, die we verder nergens tegenkwamen: blauwe sla, kogellook en kalkaster. Op de weg terug naar Nismes door het dal van de Viroin en langs de vervallen leerlooierij zien we nog bochtige klaver en ruig hertshooi, en ook een alpenandoorn.

(Blauwe sla op de Roche à Lomme. Foto Arnout Imhof.)

De volgende ochtend is de opbrengst van de LED-emmer iets beter: onder andere een ringelrupsvlinder, marmeruil, geel beertje en de gele en de witte tijger. Waarom hebben deze onschuldige diertjes zo vaak de naam van een roofdier gekregen?
Vandaag is het einddoel de Fondry des Chiens. Deze enorme doline is omgeven door grillige rotspartijen. Om ijzererts te winnen hebben mensen de kloof verder uitgediept. Vanuit Olloy lopen we in westelijke richting de beboste Tienne du Moulin op. Langs de paden zien we veel bosaardbeien, maar zijn het dat wel? In dit gebied komt ook de heuvelaardbei voor, met onderscheidende kenmerken: zelden uitlopers, onderkant blad zijdeachtige behaard en kelkslippen teruggeslagen. De planten voldoen aan dit signalement, dus vooruit. Het bos heeft helaas geen bijzonder rijke ondergroei. We vinden slechts één witte rapunzel, verder wel veel bosroos en boszegge. En veel bramen. Als het bos zich wat opent, wordt het wat interessanter: gulden boterbloem, ruig hertshooi, éénbloemig parelgras, maar ook knikkend parelgras. Bovenop de Tienne Sainte-Anne gaat het bos over in een groot kalkgrasland met daarin enkele dolines, waarvan de Fondry des Chiens veruit de grootste is. We zien kuifvleugeltjesbloem, verfbrem, driedistel, duifkruid en kogelbloem. Een topsoort is hier wel het smal vlas, dat uitbundig bloeit. Er vliegen heel wat dwergblauwtjes en bruin zandoogjes. Onder de steile rand van de Fondry ligt een gladde slang rustig te zonnen. Waarschijnlijk weet hij wel dat we hem toch niet kunnen bereiken. Ook de muurhagedis kruipt over de keien.
Nu nemen we de weg terug via Les Abannets et le Morainy. Het open terrein lijkt vroeger bebost te zijn geweest. Het is niet toegankelijk, maar lopend langs het raster hebben we toch een goed overzicht. Voor een kalkgrasland is het te rijk met hoog gras begroeid. Maar er staan wel veel bergnachtorchissen en hier en daar hondskruid en veldsalie. Het is inmiddels flink opgewarmd, dus het aantal vlinders neemt toe: het groot geaderd witje, de woudparelmoervlinder en de kleine ijsvogelvlinder zijn nu actief.
Op de laatste dag rijden we naar Treignes, iets stroomafwaarts. Een smal en stijl grasland heeft de zeldzame grote graslelie te bieden. Die staan gelukkig mooi in bloei, anders waren ze met hun grasachtige blad niet opgevallen. Ook is er geel zonneroosje en paardenhoefklaver. Op de afdaling genieten we behalve van het uitzicht nog van enkele bijzonderheden: de hertswortel, veel bokkenorchissen en, heel bijzonder, de witte brunel met zijn veerdelige blad en natuurlijk zijn witte bloemen.

(Gamanderbremraap bij de Fondry des Chiens. Foto Arnout Imhof.)

In totaal bestaat de soortenlijst dit weekend uit 424 soorten wilde planten, dus we kunnen tevreden terug naar huis.

Kenmerken

Datum 2026 / 08
Publicatie Excursieverslag
Auteur Arnout Imhof
Thema Planten