Terug naar Kennisbank

Wilde planten in kilometerhokken

Dit jaar bestaat de KNNV 125 jaar. 12,5 jaar geleden, in 2014, heb ik het coördinatorschap van de plantenwerkgroep (PWG) van onze afdeling overgenomen van Jan Katsman. Eén van de activiteiten, die ik al die jaren heb mogen organiseren, is het inventariseren van wilde planten in kilometerhokken. We hebben in die tijd heel wat gegevens verzameld. Tijd om eens een overzichtje te maken. Wat houdt zo’n inventarisatie in? Wat is het nut ervan? En wat hebben we zoal gevonden?

Hokken

Op topografische kaarten ligt over Nederland een raster van coördinaten, de Rijksdriehoekscoördinaten, waarvan de horizontale en verticale rasterlijnen gewoonlijk om de kilometer worden getekend. De zo verkregen vakjes van een vierkante kilometer noemen we meestal kilometerhokken, of gewoon ‘hokken’. Het nulpunt is gekozen bij de spits van de Onze Lieve Vrouwetoren in Amersfoort. Dit punt heeft echter de coördinaten x=155, y=463 gekregen. Het voordeel hiervan is dat elke plaats op land positieve coördinaten heeft en dat y altijd groter is dan x, zodat ze niet verwisseld kunnen worden.

Dit raster wordt ook gebruikt om de verspreiding van planten over Nederland in kaart te brengen. De stichting Floron coördineert de verzameling en validatie van deze gegevens door vrijwilligers in de Nationale Database Flora en Fauna. De resultaten zijn in te zien via de website verpreidingsatlas.nl of ndff.nl. Uit de gegevens kunnen verspreiding en trends worden bepaald ten behoeve van natuurbeheer en -bescherming. Met welke soorten gaat het goed of slecht? En in welke delen van het land? Welke moeten op de Rode Lijst komen? De gegevens worden ook gebruikt bij toetsingen in het kader van de Omgevingswet en bij het beoordelen van mogelijke effecten op de natuur bij bouwplannen.

Ieder jaar kiezen we in het werkgebied van onze afdeling twee hokken uit (drie in 2016), waarover weinig recente gegevens bekend zijn. De PWG maakt tussen april en augustus om de drie weken een avondwandeling door (een deel van) een hok en noteert elke plantensoort die herkenbaar aanwezig is. Het maakt niet uit of er één exemplaar van een soort staat of een vlakdekkende begroeiing. De resultaten geven daarom uitsluitend een beeld van de verspreiding van plantensoorten, maar niet van hun talrijkheid. Duidelijk aangeplante of ingezaaide soorten, in bijvoorbeeld tuinen en parken, worden uitgesloten. Het gaat om soorten die inheems zijn of ingeburgerd en spontaan opgroeien. Uit tuinen ontsnapte planten worden wel opgenomen, maar met een aantekening. Ik neem ze niet mee in deze analyse.

Samen

Gewoonlijk zijn we met een groepje van 2 tot 12 deelnemers. Je hoeft geen deskundige te zijn om mee te doen. Zelfs plantenkennis is niet nodig, alleen belangstelling. Je leert vanzelf door mee te doen. Je hoeft ook niet elke keer mee, maar gewoon wanneer je zin hebt. We gebruiken de flora’s van Heukels of Eggelte als dat nodig is, maar niet te vaak want de avonden zijn snel voorbij. En er is altijd nog de app ObsIdentify.

We missen heus wel wat soorten: ze groeien, bloeien en sterven bijvoorbeeld heel vroeg in het jaar (vroegeling, speenkruid) of juist heel laat (ganzenvoeten en melden). Sommige soorten horen bij lastige groepen (grassen), zijn moeilijk bereikbaar (fonteinkruiden), of zijn zo weinig talrijk dat we ze domweg mislopen. Maar gelukkig zijn we niet de enigen die waarnemingen invoeren. Andere organisaties en individuen doen ook mee. Met z’n allen bouwen we een heel compleet en betrouwbaar beeld van de verspreiding van wilde planten over Nederland.

12 jaar in beeld

(Fig. 1)

In de afgelopen 12 jaar heeft de PWG 25 hokken onderzocht. De overzichtskaart (Figuur 1) laat de ligging ervan zien. Het werkgebied van onze afdeling loopt ruwweg van Bilthoven tot Amerongen en van Werkhoven tot voorbij Austerlitz. Dat zijn zo’n 250 kilometerhokken! De hoger gelegen zandgronden van de heuvelrug lopen van noordwest tot zuidoost. In de laagte linksonder stromen de Langbroekerwetering en de Kromme Rijn. De onderzochte hokken liggen vooral rond Zeist en Driebergen: de meeste leden wonen in die omgeving en ze komen veelal op de fiets. Leersum en Amerongen liggen dan net iets te ver weg. Natuurlijk bezoeken we de natuurpareltjes bij die dorpen wel bij andere gelegenheden (de ‘vrije’ woensdagavonden), maar de zoekinspanning is daar te laag om mee te nemen in de analyse. We mijden ook hokken met veel bebouwing of intensieve landbouw, omdat we ook een fijne wandeling in de natuur willen maken. De selectie van hokken is dus niet willekeurig.

De kleur van het hok geeft het aantal gevonden soorten wilde planten weer: hoe donkerder hoe meer. Dit varieert van 115 tot 275. Vooral de driehoek Zeist-Bunnik-Driebergen blijkt een rijke flora te bezitten! Het heide- en bosgebied van Bornia en Heidestein daarentegen hoef je voor de soortenrijkdom niet te bezoeken. Wel zijn dat veelal compleet andere soorten dan in het Kromme Rijngebied. Zo komt het, dat het totaalaantal verschillende soorten dat we in de 25 hokken samen hebben gevonden 676 is! Dat is bijna de helft van de Nederlandse wilde flora, of een derde als je ingeburgerde soorten meetelt. De genoemde rijke driehoek, met een opvallende ‘hotspot’ rond het stationsgebied, ligt precies op de overgangen zand-klei en droog-nat. Het is bekend dat overgangen in milieu (zogenaamde gradiënten) overlevingskansen bieden voor een extra groot aantal soorten planten. Dat zien we dus terug in onze gegevens.

Zo’n overgangsgebied loopt natuurlijk langs de hele heuvelrug, maar een groot deel is al lang geleden ontgonnen voor de landbouw en er groeien nu vooral raaigras en mais. Ook wordt het gebied ernstig ontwaterd, waardoor vroegere kwelgebieden zijn gereduceerd tot enkele poelen en sloten. Eigenlijk zou je in dit gebied in haast ieder watertje waterviolier (3 hokken) en holpijp (4 hokken) verwachten en langs de meeste oevers dotterbloem (4 hokken). Het zijn heel gewone soorten en we vinden ze ook echt nog wel af en toe, maar slechts heel lokaal.

Zeldzame soorten

Bijzonder leuk om te vinden zijn zeldzame soorten als ijle bermzegge, springzaadveldkers en dennenorchis, die we elk slechts in één hok tegenkwamen. Andere, zoals straatgras, tengere rus, hondsdraf en grote weegbree, zie je daarentegen echt overal. Er zijn ook soorten die landelijk beslist niet algemeen zijn, maar die je bij ons toch regelmatig vindt, zoals kruipbrem en hondsviooltje. Muursla groeit in Nederland vooral tussen tegels in steden, maar kun je op de heuvelrug vrijwel overal vinden. En als je bereid bent door de knieën te gaan op natte, open zandgrond dan blijkt dat het miniplantje borstelbies veel meer voorkomt dan bekend is. De naar het noorden oprukkende bijenorchis heeft onze hokken inmiddels ook bereikt.

Aantallen per hok

(Fig. 2)

Figuur 2 laat het aantal gevonden soorten per hok zien. Gemiddeld vonden we er 191. De trendlijn toont een stijging van 25 soorten over de periode, maar die is statistisch niet significant. De grafiek geeft de grote spreiding tussen hokken goed weer. Gemiddeld vinden we 26 planten uit de composietenfamilie (Asteraceae), zie de staafjes in figuur 3, wat daarmee de grootste familie is in onze omgeving. Maar dat is wereldwijd ook het geval. Uitschieters lopen op tot liefst 40 composieten in een hok. De tweede plaats is voor de grassenfamilie (Poaceae) met 22 soorten per hok, en uitschieters tot 32. Op flinke achterstand vinden we dan de Rozen (Rosaceae) op de derde plaats met gemiddeld 12 soorten per hok.

(Fig. 3)

Een totaal ander beeld krijgen we, als we berekenen welk percentage van de in Nederland voorkomende soorten van een familie we gemiddeld in een hok aantreffen (de stippen in figuur 3). Dan blijkt dat de 8 leden van de duizendknoopfamilie (Polygonaceae, ook zuringen horen hier bij), die we daar gemiddeld vinden, maar liefst een kwart van de familie zijn. Met hun bescheiden aantal hebben ze zich overal weten te nestelen. Een echte maffiafamilie! De composieten halen met hun leger van wel 173 soorten een presentie van nog geen 15%. En de lastige grassen komen ook al niet verder. De meeste grote families zitten vrij constant op 10 tot 15%. De russen (Juncaceae) weten zich dan nog relatief sterk aan ons op te dringen met 18% van de familie per hok.

Ronduit droevig is het gesteld met de cypergrassen (zeggen en biezen): slechts 5 van de ‘beschikbare’ 94 soorten vinden bij ons een plekje in een hok. Misschien denkt u dat een gebrek aan deskundigheid over deze moeilijke familie hiervan de oorzaak kan zijn. Liever zoek ik de verklaring in de afwezigheid van noemenswaardige moerasgebieden in onze omgeving. De meeste cypergrassen groeien immers in drassige, matige voedselrijke grond. De eerdergenoemde ontginningen benadelen deze familie waarschijnlijk sterk. Slechts enkele soorten hebben zich aan echt droge bodems aangepast. Hiervan vinden we vooral zandzegge en pilzegge.

Resultaat

Het is interessant om te zien dat de gegevens die we verzamelen tijdens gezellige wandelingen in de natuur ook leuke inzichten in de plantengroei geven. Bovendien leveren ze een bijdrage aan natuuronderzoek en natuurbescherming. Voor de toekomst zijn er nog grote witte vlekken op de kaart over, vooral in gebieden wat verder buiten de omgeving Zeist-Bunnik-Driebergen. We gaan dus door!

Kenmerken

Datum 2026 / 03
Publicatie Onderzoeksverslag
Auteur Arnout Imhof
Thema Geen