Dit jaar ging het kampeerweekend van de plantenwerkgroep naar Texel. De negen deelnemers in drie auto’s ontmoetten elkaar op vakantiepark De Krim bij De Cocksdorp, in het noorden van het eiland. Na het opzetten van de tenten wandelden we de Eierlandse duinen in. De lage, grazige vegetatie bood een weids uitzicht over de duintjes met in de verte de vuurtoren. Aan plantensoorten was er echter niet zoveel bijzonders te zien: gewone rolklaver, hier en daar polletjes duinfakkelgras en wat schermhavikskruid. We zagen wel de blauwe kiekendief herhaaldelijk van dichtbij overvliegen en ook de blauwborst liet zich goed bekijken. Terug op de camping was het nog steeds vrij rustig, ondanks de grootte van het vakantiepark. Maar een zilvermeeuw was duidelijk wel aan mensen gewend en probeerde ons de hele avond de zakken met chips afhandig te maken.
De volgende ochtend gingen we vroeg op pad richting de Slufter. Hier konden we goed de zilte flora onderzoeken. Tussen de velden vol zeealsem, zoutmelde, strandmelde en lamsoor waren ook minder opvallende planten te vinden zoals het minigrasje dunstaart, zilte schijnspurrie en Engels lepelblad. In de duinen de zeewolfsmelk en de prachtige zeewinde met grote roze-met-witte bloemen. Bij de monding van de Slufter was een kolonie dwergsterns druk bezig met het duiken in de branding op zoek naar voedsel. Over het strand liepen we richting het zuiden en bekeken we nog de nodige aanspoelsels zoals het goudkammetje (een borstelworm), kleine heremietkreeftjes en de blauwe haarkwal. We staken de duinen over richting De Nederlanden. Dit is een voormalige landbouwpolder, die aan de natuur is teruggegeven. Hier troffen we een grote bloemenpracht aan met heel veel orchideeën (vooral de gevlekte en de vleeskleurige orchis), velden vol teer guichelheil en grote plekken met felgeel bloeiende verfbrem. Terug bij de trap omhoog uit de Slufter bleek er tussen de stenen nog een zeldzaam minigrasje te groeien: het laksteeltje.

(Verfbrem in De Nederlanden.)
Na het avondeten (dat we natuurlijk goed verdedigden tegen onze zilveren vriend) borgen we al het eetbaars goed op, zodat we op een ingelaste nachtvlinderexcursie naar het toiletgebouw konden. Daar vonden we in totaal 46 soorten nachtvlinders met de meest fascinerende namen, zoals de viervlakvlinder, de rozenhermelijnbladroller en de zeldzame helmgrasuil, die natuurlijk alleen in de duinen voorkomt. Alle namen konden met ObsIdentify allemaal probleemloos opgevraagd worden.
De laatste dag reden we richting De Hors, op de zuidpunt van Texel. Onderweg deden we nog de polder Waalenburg aan, die weliswaar erg bloemrijk was, maar weinig typerende plantensoorten telde. De harlekijnen, orchideeën die er in grote aantallen voorkomen, waren al uitgebloeid. De Hors bestaat uit jonge duinenrijen met ertussen mooie vochtige duinvalleien. Dat geeft heel interessante gradiënten van droog naar nat, kalkrijk zand. Onder andere: zomerbitterling, duinviooltje, geelhartje, rond wintergroen, moeraszoutgras, waterpunge, stijve moerasweegbree en duizendknoopfonteinkruid. Ook waren er veel vlinders te zien, zoals de kleine en de duinparelmoervlinder. Misschien wel de meest bijzondere waarneming van het weekend was de bokkenorchis, één enkel exemplaar vol in bloei met zijn opvallend lange, gekrulde aanhangsels aan de onderlip. Zie foto hieronder.

(Foto’s: Arnout Imhof.)