Terug naar Kennisbank

Mossen in de Westbroekse Zodden

Inventarisatie 2021

De Westbroekse Zodden behoort niet tot het werkgebied van onze afdeling. Maar er is wel een essentiële relatie met ons gebied. Dat heeft te maken met het grondwater. Op de Heuvelrug staat het grondwater op een meter of vier boven NAP. Maar Westbroek ligt op ongeveer één meter onder NAP. Daarom stroomt er ondergronds water van de Heuvelrug naar Westbroek, alwaar het als kwelwater boven komt en dat levert bijzondere vegetaties op waarin mossen een grote rol spelen. Andere mossen dan in ons werkgebied. Daarom wil je als lid van de mossenwerkgroep best graag eens in Westbroek kijken. Dus dat hebben we gedaan.

In december 2020 bezochten we drie percelen veenmosrietland in de polder Huis ter Hart bij Westbroek. We vonden 46 soorten mos. In de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) stonden voor deze drie percelen maar elf soorten vermeld. Van onze 46 soorten bleken er twee zelfs niet of nauwelijks eerder in het hele Vechtplassengebied te zijn gezien. De soortensamenstelling in de NDFF voor de Westbroekse Zodden wees er op dat er weinig systematisch naar mossen is gekeken in het gebied. Veel waarnemingen zijn bijvangst van planten- en vegetatiekarteringen. Bovendien is het gebied alleen openbaar toegankelijk op het Bert Bospad. Daardoor zitten er weinig waarnemingen in de NDFF van waarneming.nl. Zo’n bijzonder gebied, met vegetaties die juist door mossen gedomineerd worden, en daarvan dan toch nog het een en ander onbekend. Dat was voor ons aanleiding om Staatsbosbeheer voor te stellen de hele Westbroekse Zodden te inventariseren. In 2021 hebben zes werkgroepleden dat gedaan in wisselende samenstelling.

Op zoek naar mossen. Foto Bert Geerdes.

Werkwijze

We hebben alle veenmosrietland- en trilveenachtige percelen één keer bezocht. Van elk perceel hebben we een soortenlijst gemaakt met abundantie (talrijkheid) volgens Tansley. De waarnemingen zijn ingevoerd met de NOVA app (tegenwoordig VERA) en geüpload naar verspreidingsatlas.nl. De streeplijsten zijn daar openbaar in te zien. De goedgekeurde waarnemingen worden automatisch doorgezet naar de NDFF.

De percelen waar de afgelopen twee jaar bos gerooid is hebben we niet bezocht. Enerzijds zijn ze erg moeilijk begaanbaar, anderzijds is de vegetatie nog verstoord. Ook de afgeplagde weilanden zijn niet geïnventariseerd. Deze percelen zijn qua mossen nog heel ruderaal, met vooral krulmos en purpersteeltje.

Foto Bert Geerdes.

Beperkingen

Een weinig opvallende én heel spaarzaam aanwezige soort mos kan gemakkelijk gemist worden. Er zit in een mosseninventarisatie dan ook een zekere toevalsfactor. Verder zijn het seizoen, de waterstand, het weer en het (tegen)licht van invloed op wat je wel en niet ziet. Met name het al of niet gemaaid zijn maakt uit: in een niet gemaaid perceel verhindert de rietbegroeiing het overzicht over de mossen op de bodem, waardoor verschillen in kleur en vorm van de mos begroeiing gemist worden. Daarentegen ligt in recent gemaaid veenmosrietland het mos deels los en deels vastgedrukt door de maaimachine, wat ook weer niet bevorderlijk is voor het herkennen van de subtiele kleur- en vormnuances. En dan zijn er nog de lastige koppels, zoals wrattig veenmos, kamveenmos en gewoon veenmos. Die zijn in het veld niet met zekerheid te onderscheiden. Van elk perceel zijn van verdachte exemplaren een of twee monsters naar huis meegenomen. De eerste twee zijn beide maar een keer microscopisch geïdentificeerd, maar kunnen heel goed vaker voorkomen.

Foto Bert Geerdes.

Resultaten

Wij hebben 29 percelen bekeken. Daar hebben we ruim 700 waarnemingen gedaan van 90 soorten, inclusief 3 variëteiten. Hieronder 3 epifytische (op bomen groeiend) en 3 ruderale soorten (op verstoorde plaatsen).

Gewoon veenmos is vaak de overheersende soort, (co)dominant in 14 percelen, gevolgd door gewoon puntmos, (co)dominant in 9 percelen.

22 soorten staan op de Rode Lijst, waarvan 1 ernstig bedreigd, 6 bedreigd, 1 gevoelig en de rest kwetsbaar. Drie soorten zijn landelijk gezien zeer zeldzaam en 13 zeldzaam.

Het aantal soorten per perceel (variërend in grootte van 0,14 tot 2,2 hectare) varieert van 7 tot 39, gemiddeld 19.

Nieuwe soorten

Afgezien van een epifyt en een ruderale soort hebben we 19 soorten nieuw gevonden in de Westbroekse Zodden. Dat is voor de meeste soorten duidelijk te danken aan de intensieve, speciaal op mossen gerichte inventarisatie en niet op ontwikkelingen in de vegetatie.

Toch zijn er ook soorten waarschijnlijk daadwerkelijk nieuw verschenen of toegenomen. Daaronder bijvoorbeeld vijf echt “zure” soorten, waarvan drie veenmossen. Het zijn soorten die wijzen op de voortschrijdende verzuring van de veenmosrietlanden in de richting van veenheide. Alle vier hebben we ze één keer aangetroffen. Kussentjesmos is algemeen op de Utrechtse Heuvelrug, maar komt in de veengebieden veel minder voor. In het Vechtplassengebied alleen in de Molenpolder (laatste waarneming 1998). Kamveenmos is in 1967 in Nieuwkoop waargenomen, in 1987 ergens in de noordelijke Vechtplassen en in 2020 voor het eerst in de Zuidelijke Vechtplassen (Molenpolder). Week veenmos is een soort van vochtige heide op de zandgronden en nooit eerder in de laagveengebieden aangetroffen. Violet veenmos is juist weer heel typisch voor de laagveengebieden en veel opgegeven voor het Naardermeer, minder voor Kortenhoef en het Hol en bijna niet voor Botshol en Nieuwkoop. In de Oostelijke Vechtplassen was er alleen een waarneming uit de Molenpolder (2014). Veenhaarmos, een ondersoort van gewoon haarmos, is ook een soort van hoogveenontwikkeling.

Andere soorten die we kennen van ons pleistocene werkgebied zijn bronsmos, gewoon maanmos, grof draadmos en violet trapmos. Nieuw voor Westbroek en (vrijwel) niet bekend van elders in de laagveenmoerassen van West Nederland.

Daarnaast zijn enkele typische soorten van veenmosrietland en trilveen nieuw voor het gebied: Aarmaanmos is in 1994 en 2011 in het Hol waargenomen, maar verder niet eerder in het Vechtplassengebied. Gevind moerasvorkje is regelmatig opgegeven voor het Hol, Ankeveen en ook Nieuwkoop, maar in de oostelijke Vechtplassen alleen in 1983 in de Molenpolder. Geveerd sikkelmos was nog niet bekend uit het Vechtplassengebied.

Niet teruggevonden

Als we epifyten, mossen op steen, ruderale soorten en soorten van het bos buiten beschouwing laten dan zijn er 8 soorten die wel in de NDFF staan, maar die we niet gevonden hebben. Deels zijn deze waarschijnlijk echt verdwenen, soms zijn ze slecht herkenbaar of zo zeldzaam dat ze gemakkelijk gemist worden. Geel boogsterrenmos bijvoorbeeld is een trilveensoort die in 2010, 2012 en 2018 is waargenomen. Wij hebben wel twee andere soorten uit dit geslacht gevonden, maar deze niet.

Van rood schorpioenmos zijn er tot 1943 drie waarnemingen en daarna nog één in 1983. De laatste is een “waarneming uit de literatuur”. Het betreffende perceel is nu erg soortenarm en zuur en het is heel onwaarschijnlijk dat de soort hier nog groeit. In 2020 is door de beheerder een handjevol schorpioenmos uit de naastgelegen Oostelijke Binnenpolder op vier plekken in de Westbroekse Zodden uitgeplant. Hoewel de soort goed herkenbaar is, hebben wij hem niet gezien in Westbroek.

Zuur versus basisch

Van de 29 onderzochte percelen zijn er 18 waar de zure soorten gewoon haarmos, fraai veenmos en/of gewoon veenmos overheersen. Dit zijn tevens de percelen waar veenhaarmos, stijf veenmos en/of hoogveenveenmos relatief veel voorkomen en waar kamveenmos, rood veenmos en wrattig veenmos zijn gevonden. Deze percelen zijn erg arm aan hogere planten. Ze zijn zich aan het ontwikkelen naar veenheide.

Soms komen op deze percelen nog trilveensoorten voor, maar dan maar op een enkel plekje aan een waterkant: restanten van de trilveenvegetatie van eertijds. De trilveenmossen komen in Westbroek verder bijna uitsluitend voor in percelen die in de jaren ’90 zijn afgeplagd. In twee van die percelen (5 en 29) is trilveenveenmos lokaal abundant. Reuzenpuntmos stond in zes percelen, waarvan met abundantie frequent in perceel 30. Groot vedermos stond in drie, gevind moerasvorkje in twee en sterrengoudmos in een perceel.

In de nieuwe petgaten die eveneens in de jaren ‘90 zijn gegraven en waar de verlanding vanaf de randen hier en daar heel langzaam op gang begint te komen zijn nog geen trilveensoorten gevonden.

Westbroek vergeleken met Tienhoven

Op basis van de NDFF blijkt binnen de Zuidelijke Vechtplassen de Westbroekse Zodden duidelijk het soortenrijkst. Dat komt door de relatief grote oppervlakte van de open moerasvegetaties die hier behouden zijn gebleven, maar ook door de natuurontwikkelingsacties uit begin jaren ’90, met name het afplaggen van graslanden. De Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven is voor een heel groot deel ontgonnen geweest voor de landbouw. Slechts enkele kleine trilveentjes zijn behouden gebleven. Veenmosrietland komt er niet voor. Nu het hele gebied recent weer teruggegeven is aan de natuur en onlangs geheel heringericht, zal de score hier waarschijnlijk flink gaan oplopen. De recente toename van rood schorpioenmos en een vondst in 2022 van gekruld sikkelmos illustreren dit al. De Molenpolder is voor een groot deel bebost geraakt. De oppervlakte aan veenmosrietland is nu relatief gering. Dat dat vroeger anders was blijkt wel uit het grote aantal soorten dat na 1990 niet meer is waargenomen. Er is daar echter ook weinig naar mossen gekeken de laatste decennia.

Conclusies

Voor het eerst is Westbroek specifiek en intensief op mossen geïnventariseerd. Dat heeft 19 nieuwe soorten aan het licht gebracht. Twee trilveensoorten, rood schorpioenmos en geel boogsterrenmos, konden niet bevestigd worden. Er is een hard onderscheid tussen de oude, zure veenmospercelen en de nieuwe, meer basische puntmospercelen. Beide hebben echter (zeer) zeldzame soorten mos. In de zure percelen komen negen Rode Lijstsoorten voor, in de meer basische dertien. Qua mossen zijn de Westbroekse Zodden het soortenrijkste complex van de Zuidelijke Vechtplassen.

Dank

Dank aan de medeveldwerkers Jan Ensing, Matthijs van Hoorn, Marcel Hospers, Jan Pellicaan en Bart van Tooren.

Kenmerken

Datum 2022 / 09
Publicatie Onderzoeksverslag
Auteur Bert Geerdes
Thema Geen